Het meten met twee maten is typisch narcistisch gedrag. Er zijn regels in deze wereld en die gelden voor iedereen. Alleen voor de narcist gelden andere regels, want hij is bijzonder. Zo vond Joost het onbestaanbaar dat hij moest wachten op een arts. Alsof hij niets beters had te doen! Zo’n arts plande niet goed natuurlijk, het spreekuur liep altijd uit. Dat zou hij wel anders doen. Overigens vond Joost het dan weer heel normaal dat andere mensen wél moesten wachten tot ze aan de beurt waren.
Regels zijn voor anderen
Regels vond Joost heel goed en belangrijk, alleen niet voor zichzelf. Als iemand door rood reed was het een schoft, als hij dat zelf deed niet meer dan normaal, op dat moment, op die plek. Hij kéék toch goed! Verkeersregels waren sowieso niet voor Joost bedoeld.
Ergens te laat komen? Slecht georganiseerd, niet nagedacht, slordig, onoplettend. Maar zelf kwam Joost standaard te laat en dat vond hij niet gek.
Regels tussentijds veranderen
Afspraken maken met een narcist is verdomd lastig. Nou ja, je kunt ze prima maken, maar de narcist verandert de afspraak tussentijds, zonder dat jij het weet. En dat is echt ontzettend vervelend. Zeker als er iets te winnen valt, worden de regels zonder pardon aangepast indien de narcist dat nodig vindt. Het kan dan om de winst van het spel gaan, maar ook om echt geld of om de eer.
Joost had er nogal eens een handje van de regels te veranderen als het tijd werd te ‘betalen’. In Verstrikt lees je daarover in de verhalen over de huwelijkse voorwaarden.
Nu jij zus hebt gedaan, doe ik zo
Ook zoiets. Narcisten vinden het vaak nodig je te ‘straffen’ en dan kan het om van alles gaan. Je maakte teveel lawaai bij het uitladen van de vaatwasser, hebt een broek gekocht die hij niet mooi vindt of hij is vannacht wakker geworden omdat jij ging plassen.
‘Ik ben moe Car, omdat jij vannacht zo luidruchtig was heb ik slecht geslapen. We gaan niet naar het strand zoals afgesproken.’
Macht misbruiken
Wat ik echt óntzettend vervelend vond was als Joost de dagindeling veranderde. En dat deed hij vaak. Een voorbeeld: we zijn met vakantie en gaan naar een supermarkt om eten in te kopen. Na afloop zitten we weer in de auto en Joost zegt dat hij met een omweg naar huis rijdt. Hij wil me een huis laten zien dat te koop staat. Ik wil niet, we hebben bederfelijke waar bij ons. We gaan toch. Het omrijden is ver. Wel een uur rijden. Heen én terug. Daar blijft het niet bij. Als we toch bij dat huis zijn, kunnen we ook even bij het parkje kijken, hij moet ook nog bellen, kan meteen langkomen bij de makelaar en rijdt dan op de terugweg óók nog even langs een speeltuin voor de kinderen. Leuk toch!
Of dichter bij huis, als we van het westen naar ons huis in Drenthe reden. Twee uur rijden, drie vermoeide kinderen achterin. Verdomd, we gaan de snelweg af! Wat gaan we doen? ‘Even wat bij Puck in de bus gooien.’
Het in de bus gooien is aanbellen, naar binnen gaan en drie kwartier wegblijven. Wij in de auto, het is koud, de kinderen zijn boos. Ik ook.
‘Dat flik je me niet meer Joost.’ En hij flikt het nog vele malen.